Historische beplanting van het Fort
Natuur in dienst van verdediging
De oorspronkelijke beplanting van het Fort en de naaste omgeving, ca. 1880:
"In de binnenruimte van het fort staan 121 iepen. Op de taluds van de gronddekkingen van twee gebouwen, op die van enkele traversen en op het plongée van de infanterie borstweringen staan hagen van Virginische kers, 220 m lang. Op het buitentalud van de borstwering staat een strook wilgenhakhout, 535 m lang. Op de berm een doornen haag, lang 1210 m; een rij hakhout, lang 845 m, 24 knotwilgen en 180 schietwilgen. Buiten de gracht van het fort staan 183 schietwilgen, 108 populieren, 84 iepenbomen, 681 m wilgenhakhout en 1200 m2 wilgenhakhout (bij het rietgat aan de Zuidwest zijde). In de tuin van de fortwachter staan enkele vruchtbomen en struiken."
Deze exacte opsomming geeft het strategisch belang aan van de beplanting. In het vlakke Hollandse landschap was het moeilijk een verdedigingswerk aan het zicht van de vijand te onttrekken. Forten werden daarom 'gemaskeerd' met planmatig aangelegde natuur. Er ontstond een subtiel evenwicht tussen voldoende camouflage en een ruim vrij schootsveld. Bij de forten in de Waterlinie werden vooral inheemse soorten gebruikt (iepen, eiken en populieren), zowel op het fort als achter de stelling. Wilgen werden aangeplant voor het natuurlijke effect. Het geheel van de beplantingen zorgde ervoor dat het fort wegviel tegen de horizon.
'Prikkelbosjes' of meidoornhagen onder aan de fortwal vormden de voorlopers van de latere prikkeldraad versperringen.
Om ook vanuit de lucht minder zichtbaar te zijn, werden grachten beplant met waterlelies en gele plomp.
Veel van de oorspronkelijke beplanting bij Everdingen is nog aanwezig, o.a. resten van de meidoornhagen.